|
|
![]() |
| 2006 JAN | |
|
Stampvolle kledingkasten, uitpuilende speelgoedopbergboxen, keukenkastjes waarvan de inhoud je tegemoetkwam als je het deurtje opentrok. Ja, we waren toe aan een nieuw huis. Ik sloot me aan bij huizenzoeksites als Zoek Alle huizen, Funda en Jaap. Ieder dag kreeg ik mail dat er weer een droomhuis was vrijgekomen. Als het ook maar een beetje aan onze wensen voldeed, gingen we kijken. En vaak knapten we af. We zagen woonkamers zo gezellig als een stationswachtruimte, badkamers waar je schimmelkazen in kunt laten rijpen, en slaapkamertjes alleen geschikt voor een hond. Maar toen kreeg ik mail dat mijn woning was vrijgekomen. Een herenhuis uit 1900, met hoge plafonds, vier slaapkamers, aan de rand van het centrum, met voor uitzicht op een park en achter op de parkachtige tuin van de buurman, openslaande tuindeuren en praktisch naast de school van mijn dochter. Binnenkort zwaaide ik haar op mijn sloffen uit. Trots leidde de makelaar ons door het pand. Het was precies zoals ik me had voorgesteld, op wat minpuntjes na. Zo had de badkamer geen bad, wat best jammer was omdat ik elke avond in bad ga, en bevond de vierde slaapkamer zich op een griezelig hoge zolder. Dit moest mijn werkhok worden, omdat je kleine kinderen niet zo ver van je vandaan te slapen legt. Daardoor zou ik wat tijd kwijt zijn met het onder controle houden van dwanggedachtes want ik heb nogal last van hoogtevrees. Maar kom, dit waren kleinigheidjes. Een huis is net als een relatie: je vindt het nooit honderd procent leuk, het is al fijn als je met tachtig procent goed kunt leven. Thuis zetten we de kinderen met chips voor een K3-dvd en wij trokken een fles wijn open. We noemden alle voor- en de paar nadelen en stelden elkaar toen de vraag: Doen? Doen! We waren het er hartgrondig over eens. A. vroeg zich nog af of we het pand bouwkundig moesten laten onderzoeken, maar dit leek mij overbodig. Een huis dat al honderd jaar staat, gaat nog wel een eeuw mee. A. fietste naar de makelaar en bood de vraagprijs. ’s Avonds in bed richtten we het huis in. Uiteraard kon onze oude plofbank niet in de nieuwe galmende woonkamer staan, en hadden we ook behoefte aan een andere stoel, poef, eettafel, dressoir en gordijnen. Die vloer, daar waren we ook niet zo zeker van. Wat zouden deze bijkomstigheden allemaal gaan kosten? A. noemde bepaald geen kinderachtig bedrag. Vervolgens vroeg ik wat we eigenlijk aan hypotheek kwijt waren. Het totaal deed me in mijn kussen bijten. ‘Ja,’ zei A. ‘Peppie en Kokkie moeten wel centjes blijven verdienen.’ Hij ging slapen, ik lag te cijferen. Als ik mijn geheime rekeningen leeg schraapte, A. zijn auto verkocht en we de spaarrekeningen van de kinderen ophieven, konden we de hypotheek met bijna een ton verlagen. Maar dan moest niet één van A. klantjes opstappen, want dan gingen we alleen nog maar op vakantie in eigen woning. A.. had zijn ogen nog niet open, of ik zei al dat ik niet meer wilde verhuizen. Tenzij we de hypotheek verlaagden door onder andere zijn Porsche te verkopen. Hij keek me aan of ik had voorgesteld de kinderen te laten adopteren. Niet verhuizen dus. Hij belde de makelaar en trok het bod in. Gister is de meubelmaker geweest. Hij gaat twee grote kasten maken, één in de keuken en één in de woonkamer voor het rondslingerende speelgoed. Het tekort aan kastruimte boven lossen we op door een bed met lades eronder te kopen. Er komt een meneer de vloer in de woonkamer opschuren en lakken en een ander komt stucadoren. Schilderen doen we zelf. Het ziet ernaar uit dat we de hele zomer in de troep zitten. Daar zie ik zo tegenop, dat ik regelmatig denk: als we nu eens gaan verhuizen.
|
|