MAARTJE FLEUR
INTERVIEWS
REPORTAGES
COLUMNS
CONTACT

2010 BEM! Magazine


Manipuleren

Met mijn gezin maak ik een ontspannende boswandeling. Dat klinkt idyllischer dan het is want Midas en Ruby vinden natuur stom. Ze willen alleen mee als ik ze een pannenkoek na afloop beloof. Freek wandelt mee omdat ik vanmorgen tijdens een fluisterruzie (de kinderen!) siste dat je in een relatie iets voor elkaar over moet hebben. Ben ik laatst niet mee geweest naar die film Fair Game?
Een jong stel komt aanlopen met een puppy en de kinderen stormen eropaf. Ruby knielt om het hondje te aaien. “Mogen we ook een hondje? Aaaah?”
“Ik denk het niet.” Freek glimlacht vertederd. “Het is wel een schatje, hoor. ”
Als een Jehovagetuige zet ik mijn voet in de kier van zijn twijfel. Ik ratel over de opvoedkundige waarde van een hond, dat gezinnen met honden tien procent meer bewegen, en ik door veelvuldig gewandel moeiteloos zal afvallen.  “Ga sporten,” zegt hij. “Dat verhaart ook niet.”
Freek beseft ook wel dat je niet kunt knuffelen met een loopband en ik ongeschikt ben voor teamsporten omdat ik te beleefd ben om een bal af te pakken. Toch slik ik deze argumenten in. Na tien jaar relatie weet ik dat alleen subtiel lobbyen werkt. Bij bol.com bestel ik een boek over hondenrassen om uit te zoeken welk ras goed past bij ons gezin. Het dier moet vrolijk zijn, in een fietsmand passen, en lief zijn voor kinderen katten en cavia’s.  Avondenlang blader ik in het boek. “Maar ik heb helemaal niet gezegd dat er een hond komt,” zegt Freek.
“Dat weet ik, schat. Ik lees er ook alleen maar over. Hoe vind je deze?”
Ruby is erg enthousiast over blaffende viervoeters en wij zijn het erover eens dat het een Westie moet worden. Op internet vind ik een fokker die een nest te koop heeft. Ik bel en maak een afspraak. “Waarom ga je kijken?” vraagt Freek. “Waarschijnlijk komt die hond er niet.”
“Tuurlijk schat, maar stel dat je van mening verandert, dan ben ik in ieder geval goed geïnformeerd.”
De fokker heeft veelweg van een kwaadaardige bouvier, maar haar hondjes zijn hartenbrekertjes: nog kleiner dan een cavia, van wit pluis en ze hebben zwarte oogjes, neusjes en voetzolen. Ik ben verliefd. Toch zeg ik er thuis geen woord over. Ik wacht tot Freek erover begint. “Hoe waren die puppy’s eigenlijk?”
“Zo ontzettend lief, leuk en schattig. Eentje wilde er meteen bij me schoot. Het liefst nam ik ‘m mee naar huis, maar ja, ik heb natuurlijk liever een echtgenoot dan een Westie.” 
Hij knikt. Toch kijkt hij bepaald niet opgelucht. Die avond in bed begint hij er weer over. “Als jij heel graag een hondje wilt, dan moet je dat doen.”
 Bezorgd zeg ik: “Weet je het zeker? Ik wil niet dat jij je er rot door voelt.”
“Ach, wat maakt zo’n hondje uit. Als jou dat nou gelukkig maakt.”
Dat is het startsein voor onderhandelingen. Wat Freek vooral tegenstaat is poep. Hij wil per se niet rondlopen met een plastic zakje waarin een warme drol zit. We spreken af dat als de hond een bah heeft gedaan, hij de coördinaten doorgeeft zodat ik het kan opruimen.
Die zaterdag halen Ruby, Midas en ik de pup op. Niet alleen het hondje is bloednerveus, ik ook. Trekken de katten, de cavia’s en vooral Freek de puppy? Angstvallig zit ik er bovenop, tot ik ga koken. Na een kwartiertje is het verdacht rustig in de woonkamer. De kinderen kijken televisie en Freek ligt op de bank. Op zijn buik slaapt het hondje.    

Pien van der Werf (37) woont met man Freek (39), dochter Ruby (7) en zoon Midas (5), werkt als freelance tekstschrijver en probeert gezond te leven.

< TERUG NAAR COLUMNS