|
Vleesverlaters
Twee katers, twee cavia’s en een setje goudvissen vertroetel ik, van een platgereden egel krijg ik een brok in mijn keel, en muizen vang ik in een diervriendelijke klem om ze in het park vrij te laten. Maar ik eet wel iedere dag vlees. Als ik in de krant lees dat we in Nederland ieder jaar zo’n 450 miljoen dieren slachten, voel ik me een Slecht Mens.
Die avond serveer ik kaassoufflés met broccoli en verkondig ik mijn gezin dat wij voortaan vegetariërs zijn. “Wat is dat?” vraagt Midas.
“Dat we geen beestjes meer eten,” zeg ik. “Zoals dat lieve koetje in de wei, of zo’n schattig varkentje.”
“Maar wel kip,”zegt Ruby. “Kip is lekker en geen dier.”
Toktok, wil ik antwoorden, maar Freek onderbreekt me. “Ik eet geen sojabrokken, erwten, spelt of andere smerige dingen.” Er verschijnt een wrokkig trekje rond zijn mond, een teken dat ik discussie moet vermijden.
“Af en toe een biologisch biefstukje moet kunnen,” sus ik, “met kerst of zo. Je zult zien dat we heerlijk blijven eten. Eigenlijk lekkerder omdat je kauwt zonder schuldgevoel.”
Glazig kijkt mijn gezin me aan. Dit zou het moment zijn om plaatjes te laten zien van de bio-industrie, maar je laat je kinderen ook niet kijken naar The Texas Chainsaw Massacre. Mijn zoontje had al wekenlang nachtmerries toen een goudvis na een epileptische aanval het loodje legde.
De volgende dag zit ik in bibliotheek met een grote stapel kookboeken. Ik heb schrift en pen meegenomen om vleesloze hoogtepunten te noteren. Het is ingewikkelder dan ik dacht. Gerechten met meer dan tien ingrediënten vallen af, ik wil geen hapjes waarvoor ik naar ver weg-exotisch winkeltjes moet om dingen als ashu, asafoetida en okra te kopen, en als de maaltijd er op de foto uitziet als diaree gegarneerd met basilicum heb ik er ook geen trek in.
Thuis ga ik in de slag met vega-lasagne. Mijn man kijkt nieuwsgierig over mijn schouder in de pan. “Ruikt goed. Misschien een beetje gehakt erbij?”
De lasagne is geen doorslaand succes, maar kinderen vinden niets lekker dat groen of rood is, en daarom zet ik door. Dat valt niet mee. Zodra ik een dampende schaal op tafel zet, zeggen ze: “Dat lust ik niet.” En ook Freek merkt soms na zijn eerste hap op: “Voor mij hoef je dit niet meer te maken.” Toch laat ik me niet ontmoedigen. Ik schotel ze knofllookselderijsoep voor, pindapreipompoenstamppot en pastinaakprak. Smaakpapillen moeten wennen aan iets nieuws, en dat heeft tijd en doorzettingsvermogen nodig. Zolang mijn kinderen boterhammen Nutella en mandarijntjes eten, hoef ik niet bang te zijn dat ze ondervoed raken, en Freek en ik kunnen best wat kilootjes kwijt.
Ik volhard tot de avond van de banaan-kaas-zuurkoolovenschotel met sour cream. Alle ingrediënten los van elkaar zijn lekker, dus het lijkt mij een kat in het bakkie feestmaaltijd. Mijn kinderen nemen één hap en kijken me aan of ik ze wil vergiftigen, Freek loopt naar het aanrecht, spuugt de hap uit en drinkt snel een glas water leeg. Hij hijgt: “Dit is te erg.”Ik ben van plan om beledigd mijn bord leeg te eten, maar het smaakt inderdaad of een kleuter heeft overgegeven na een partijtje: zuur, zoet en vet. “Wie gaat er mee naar MacDonalds!” roept Freek. De kinderen spurten naar de gang om hun jasjes aan te trekken. “Ga je ook mee?”
Plechtig zeg ik: “Ik neem alleen een Frans frietje.” En misschien een klein cheeseburgertje dat ik snel en schaamtevol onder tafel kan opeten.
Pien van der Werf (37) woont met man Freek (39), dochter Ruby (7) en zoon Midas (5), werkt als freelance tekstschrijver en ze probeert gezond te leven.
< TERUG NAAR COLUMNS
|