|
In de schijnwerpers met Esther Schouten
Esther Schouten (32) was drie keer wereldkampioen boksen toen ze hoorde dat ze lymfeklierkanker had. Ze versloeg die ziekte en werd in 2009 weer wereldkampioen. ‘Aan de ene kant was ik dolblij, aan de andere kant realiseerde ik me dat ik er veel voor opzij gezet. Vooral op sociaal gebied.’
Passie
“Topsport is het mooiste dat er is. Het is heerlijk om de hele dag bezig te zijn met je passie. Mensen denken vaak dat boksen niet meer is dan tijdens een wedstrijd op elkaar inslaan, maar je moet eens weten wat daar allemaal aan vooraf gaat. Je traint zes dagen in de week: vier dagen twee keer op een dag, de andere dagen één keer. Het is hardlopen, krachttraining, je traint je techniek en tactiek. Sparren, wat je vaak in boksfilms ziet, doe je alleen als je een wedstrijd hebt. Zo’n drie weken van tevoren begin ik daarmee. Voor een wedstrijd bekijk ik video’s of dvd’s van de tegenstander om te zien wat zijn fouten zijn. Om iets heel eenvoudigs te noemen: sommige boksers gooien altijd hun hoofd omhoog als ze met links slaan. Dan weet ik dat ik op zo’n moment haar kin kunt raken. Anderen maken veel meters in de ring. Dan neem ik me voor om er niet achteraan te rennen, maar ze de pas afsnijden. Mijn kracht is dat ik een kameleon ben en ik voor alles wel een trucje vind. In het begin won ik wedstrijden op mijn doorzettingsvermogen en wilskracht maar inmiddels ben ik erachter: degene die het coolst blijft en zijn koppie gebruikt, wint. In films zie je ook vaak dat boksers elkaar voor een wedstrijd proberen te intimideren. Dat doe ik nooit. Ik ben gewoon heel vriendelijk. Als ik dan in de ring sta, zie ik mijn tegenstander denken: waar is dat lieve meisje met die lange blonde haren gebleven? Een aantal wedstrijden heb ik gewonnen doordat ik de tegenstander knock out sloeg. Op zo’n moment ben ik vooral blij dat ik de wedstrijd heb gewonnen, want in de ring is het: zij of ik. Gelukkig heb ik nooit gehad dat iemand minutenlang op de grond bleef liggen. Zelf ben ik nooit knock out gegaan. Ik ben ook niet bang voor klappen op mijn hoofd en de schade die ze kunnen aanrichten. Ik weet dat ik goed getraind ben en een prima verdediging heb. Daarnaast maakt het nogal uit of je een klap krijgt van een mannelijk zwaargewicht, of van een meisje van 55 kilo; de klasse waarin ik boks.”
Stoer meisje
“Ik was een meisje dat in bomen klom, met de jongens op straat ravotte, van balletje trap hield. Echt een tomboy. Een teamsport als handbal vond ik leuk, maar ik knapte enorm af als er een paar spelers in mijn team zaten die het voor de gezelligheid deden en niet om te winnen. Ik ben puur fanatiek, dat zit gewoon in me. Een vechtsport leek me wel wat, maar mijn ouders verboden het me. Tot mijn broer een keer thuiskwam en aankondigde dat hij op kickboksen ging. Toen moesten ze mij ook wel laten gaan. Ik vond het meteen leuk. Andere sporten had ik snel onder de knie, maar dit was zo’n uitdaging. Het bleek nog heel lastig te zijn om rechts te slaan en links te trappen. Ik werd er zo bedreven in dat ik na vijf jaar geen tegenstanders meer had. Toen kreeg ik een uitnodiging om in Duitsland een wedstrijd te boksen tegen een opkomend talent, en dat heb ik gedaan. Die wedstrijd won ik vrij makkelijk, waarna ik besloot om op boksen over te stappen. Boksen is wereldwijd veel groter, het werd gedeeltelijk betaald, en ik kon veel meer tegenstanders krijgen. In Duitsland vond ik een promotor en daar ging ik trainen. In 2001 en 2002 werd ik Europees kampioen, en in 2003, 2004 en 2005 wereldkampioen.”
Lymfeklierkanker
“In 2006 was ik aan het trainen om mijn titel te verdedigen in Australië. Toen merkte ik dat ik niet meer goed herstelde. Tussen twee trainingen slaap ik een uurtje om mijn lichaam rust te gunnen, maar dat was niet genoeg. Ik bleef moe. Mijn nieuwe Nederlandse trainer concentreerde zich vooral op krachttraining, en ik dacht dat het daaraan lag. Voor een wedstrijd krijg je altijd een fysieke keurig, en daar bleek dat mijn bloedwaardes niet goed waren. Ik nam een potje ijzerpillen mee naar Australië en ging toch de ring in. De eerste drie rondes verliepen prima, maar daarna raakte ik uitgeput. Uiteindelijk heeft de scheidsrechter de wedstrijd stopgezet omdat ik een flinke snee in mijn wenkbrauw had opgelopen. Hartstikke ziek was ik toen, maar ik wist het niet.
Ik kreeg allerlei onderzoeken. Ik zei wel steeds: ‘Ik heb zo’n vreemde bult in mijn nek’, maar daar luisterde niemand naar. Vijf maanden later werd vastgesteld dat ik lymfeklierkanker had. Ik vond het een enorme schok dat mijn lichaam me in de steek liet. Waarom ik nu juist die ziekte kreeg, heb ik me niet afgevraagd. Ik had meer iets van: waarom ik niet? Ik moest bestralingen en chemokuren ondergaan. De prognose was goed, en ik heb nooit geloofd dat ik niet beter zou worden. Als dat wel zo zou zijn, had ik me daar denk ik ook bij neer kunnen leggen. De eerste keer dat ik een chemo kreeg, lag ik naast een man die vertelde dat hij nog zes weken had. Dan ga je wel nadenken: hoe zou ik daarin staan? Ik denk dat als ik zijn situatie was geweest, ik dat zou kunnen accepteren.”
Rigoureus besluit
“Tijdens de behandeling zat steeds in mijn hoofd: hoe zorg ik ervoor dat ik weer op mijn oude niveau kan boksen? Zodra ik beter was, heb ik een aantal rigoureuze besluiten genomen: ik ben naar Duitsland gegaan om te trainen, verbrak de relatie met mijn vriend en verkocht mijn huisje in Nederland. In 2009 stond ik weer met die belt in mijn handen omdat ik wereldkampioen was geworden. Het was heel dubbel: aan de ene kant was ik dolblij dat ik mijn doel had bereikt, aan de andere kant was ik me ervan bewust dat ik er erg veel voor opzij had gezet. Vooral op sociaal gebied. Door die ziekte ben ik veel meer gaan nadenken over hoe de mensen in mijn omgeving zich voelen. Voor die tijd draaide alles om mij, míjn trainingen en míjn wedstrijden. Die ziekte had me met beide benen op de grond gezet. Ik besefte dat als ik nog een leuke relatie wilde opbouwen, met misschien wel kinderen, ik dit leven niet kon blijven leiden.
Mijn plan was om nog één of twee jaar door te gaan met boksen, maar toen trok mijn promotor zich terug. In oktober zal ik voor de laatste keer mijn titel verdedigen.”
Eigen bedrijf
“Veel sporters vallen in een gat als ze stoppen met topsport, en ik merk dat ik ook stappen moet zetten om dat te voorkomen. Met een psychologe en een bedrijfskundige heb ik een bedrijf opgezet om managers en sporttalenten te coachen. Al mijn ervaring kan ik erin kwijt want uit boksen kun je zoveel halen: wat voor rol neem je in? Hoe ga je met angst, bedreiging of stress om? We zijn nu een paar sporttalenten aan het begeleiden en het is geweldig om te zien hoe snel ze vooruitgaan. Ik moet wel wennen aan die nieuwe rol. Jarenlang heb ik iets gedaan waar ik heel goed was, en waarvan ik precies wist wat ik moest doen om mijn doel te bereiken. Hier heb ik geen ervaring in, en ik heb er ook niet voor door geleerd. Maar als ik ergens ben achtergekomen is het wel dat als ik me een doel stel, ik dat haal. Of het nu om boksen of iets anders gaat, ik blijf een streber.”
< TERUG NAAR INTERVIEWS
|