|
|
![]() |
| 2006 Flair | |
|
Is het moeilijk om contact te maken in de trein? En gaat dat het makkelijkst als je alleen reist, als je hulpbehoevend bent of als je kinderen meeneemt? Flair-journaliste Maartje Fleur ging de trein in met koffie, op krukken en met een kinderwagen. Typisch dat juist ik ga uitzoeken of je in de trein makkelijk contact maakt, want ik reis er maar zelden mee. Ik bezit een comfortabele stationwagen met kinderzitjes, cd-speler, automatische raampjes en airco. Heel af en toe neem ik de laatste trein van Amsterdam naar Alkmaar en dan stel ik alles in het werk om maar geen gesprek te hoeven beginnen met mijn medepassagiers. Maar dat is dan ook een the party is over-trein die vol zit met voornamelijk mannen die teveel hebben gedronken. De laatste keer dat ik erin zat, probeerde mijn buurman over te geven in het prullenbakje. Dat mislukte jammerlijk. Ik kwam er bijna spetvrij vanaf, maar de lust voor het treinreizen was me even ontnomen. Intercity Alkmaar Utrecht, 10.12, maandag Test 1: Met Koffie Het is vrijdagochtend 10.12 en gewapend met een kop koffie en een stralende glimlach stap ik op station Alkmaar in de intercity naar Utrecht. Ik ben het type dat het in de wachtruimte van de tandarts nog dolgezellig kan hebben, dus contact leggen in de trein moet een koud kunstje voor me zijn. Ik ga zitten tegenover een redelijk aantrekkelijke man van een jaar of dertig in pak en met aktetas, en kijk hem vrijmoedig aan. Volgens mij straal ik duidelijk uit dat ik wel in ben voor een praatje. En het heeft succes, want al snel vraagt hij me: “Wil je die krant even aangeven?” Ik moet hier een conversatie uit zien te peuren. Gauw zeg ik: “Ik vind de Spits leuker om te lezen dan de Metro.” “Het maakt mij niet uit.” Hij slaat de krant open en verdwijnt erachter. Geen woord meer; het is net of ik er niet zit. Misschien helpt het als ik iets zeg over het weer? Een opmerking maak over een nieuwsbericht? Ik oefen een tijdje luchtige zinnetjes en besluit dan toch maar mijn mond te houden. Die krant is zijn ondoordringbare schild tegen de buitenwereld en ik durf er geen barst in aan te brengen.sen.kofferbakuten in abolsuut stilzwijgenn doorgebracht.jn modn te hoduenb. We hebben twintig minuten in absoluut stilzwijgen doorgebracht wanneer hij in Amsterdam-Sloterdijk uit de trein stapt. Nieuwe kansen krijg ik wanneer op Station Amsterdam Centraal twee dames van rond de zestig al rebbelend tegenover me plaatsnemen. Er kan een “Goedemorgen” vanaf, maar dan praten ze snel verder over een gemeenschappelijke kennis bij wie kanker is vastgesteld en die binnenkort haar tweede kuur krijgt. Nu contact proberen te maken. Ik fantaseer er een familielid bij en zeg: “Mijn tante is er heel goed vanaf gekomen. Een half jaar geleden was ze klaar met de behandeling en ze heeft nu tachtig procent kans dat het niet meer terugkomt.” Dat vinden de dames erg interessant. Ze willen weten hoe oud mijn tante is, in welk ziekenhuis ze is behandeld, of er kanker in de familie zit. Het zweet staat op mijn rug terwijl ik het ene na het andere antwoord jok. Het gesprek gaat verder over verschrikkelijke ziektes, verzorgingstehuizen en het overheidsbeleid op het gebied van zorg, en ook ik maak af en toe een opmerking. Opgelucht stap ik in Utrecht uit de trein. Het is mooi dat ik erin ben geslaagd om contact te leggen. Het is alleen jammer dat ik er zelf zo van in een grafstemming ben geraakt. Intercity Alkmaar – Utrecht, 10.12, woensdag Test 2: Op krukken Op een bankje, zo’n tweehonderd meter van het station, doe ik mijn gymp uit en stop hem in mijn rugzak. Op mijn voet wikkel ik een verband en daaroverheen trek ik een sok. Het ziet er indrukwekkend uit. Ik repeteer nog één keer het verhaal dat ik heb bedacht als iemand naar mijn kwetsuur vraagt: mijn teen is gebroken toen ik van mijn paard afviel. Nee, ik heb zelf geen paard, ik krijg elke week les op de manage, maar erg goed kan ik het nog niet. Ja, het is erg pijnlijk, zo’n gebroken teen. Afdrogen doet al zeer en het enige dat helpt is rust. (Deze informatie heb ik gisteravond op internet gevonden.) Ik doe de rugzak op mijn rug en loop op krukken naar het station. In mijn huiskamer had ik dat al een beetje geoefend, maar het valt ontzettend tegen. Wat een inspanning om minimaal vooruit te komen. Al snel heb ik pijn in mijn armen en die tweehonderd meter lijkt een bijna onoverbrugbare afstand. Ik moet ook nog een trap afhippen, goed op de roltrap terecht zien te komen en er weer op tijd vanaf. Op het perron wis ik het zweet van mijn voorhoofd en kruk ik door tot ik in de buurt sta van een meisje van een jaar of 25. “Dat valt nog helemaal niet mee,” zeg ik. Nors kijkt ze me aan. De intercity naar Utrecht komt eraan en ik hip naar de deuren. Het meisje is naar een andere deur gelopen waardoor ik nu zelf op de knop moet drukken, met één kruk in de hand en wankelend geleund op de ander. Waarom helpt niemand me? Het gaat maar net goed, maar de drie treetjes omhoog lijken een onneembare hindernis. Ik kijk achter me of iemand me ziet en loop dan snel op beide benen het trappetje op. Vervolgens kruk ik naar een bankje waar ik plaatsneem tegen over een meisje van achter in de twintig dat naar haar mp3-speler zit te luisteren. Ai, dat wordt moeilijk om een gesprekje aan te knopen, maar ik weiger verder de coupé in te hippen. Met een gepijnigd gezicht leg ik mijn geblesseerde voet op de bank naast het meisje. Ze glimlacht vriendelijk, maar zegt niets. Zo schiet het natuurlijk niet op met contact maken. Daarom bouw ik met mijn krukken een klein versperrinkje. Ik schuif ze half over het gangpad zodat je eroverheen of eromheen moet stappen. En dat doen de andere passagiers dan ook. Als hindes nemen ze iedere keer de hindernis, meestal zonder me aan te kijken. Soms doe ik net of ik de krukken aan de kant wil schuiven, en dan zegt iemand snel: “Ik stap er wel overheen, hoor.”ie info hb ik van internet)..) ast zodat hij voldonede steun heeft om Het meisje met de mp3-speler moet er ook pas in Utrecht pas uit, waardoor ik mijn hele reis nauwelijks aanspraak heb. Dan maak ik van het uitstappen maar een show. Eerst kruk ik moeizaam naar de hal. Als de trein stopt, drukt een man van een jaar of vijftig, type biologieleraar, op de knop ‘deur open.’ In het halletje staan nog meer mensen, en ik laat ze voorgaan zodat ik de tijd kan nemen om uit de trein te komen. Krukken op een tree, hip, krukken op de volgende tree, hip, krukken op… Ik val bijna op het perron, maar niemand rent toe om me hulp aan te bieden. Diep gefrustreerd strompel ik naar de roltrappen. In de stationshal durf ik niet goed meteen het verband eraf te halen, mijn gymp aan te doen en weer gewoon te gaan lopen. Dadelijk denkt iemand dat zich een wonder heeft voltrokken. Dus moet ik nog een hele tijd door krukken tot ik een rustig plekje heb gevonden. Ik hoop maar dat ik nooit een teen breek. Intercity Alkmaar - Utrecht, vrijdag 10.12 Test 3: Met kinderen Mijn dochter Micky van drie heeft wel zin in een tripje met de trein, Casper is één en vindt alles prima zolang zijn moeder (ik dus) in de buurt is. Ik ga kaartjes kopen bij het informatieloket. De aardige mevrouw vertelt me dat kinderen onder vier jaar gratis reizen. Deze info kost twee kwartjes die ze verrekent met mijn kaartje. Maar kom, niet gezeurd, op naar de treinen. Het einde van het perron is verlaagd zodat invalidenkarretjes, of ouders met kinderwagens zoals ik er op kunnen. Micky vindt het allemaal reuze spannend en blijft daardoor gelukkig dicht bij me lopen. Op het perron op een bankje zit een oudere heer waar we naast gaan zitten. Hij lacht vertederd naar mijn kinderen en dat begrijp ik wel, want objectief gezien heb ik ook de mooiste, liefste en grappigste kinderen van de hele wereld. Wanneer de trein stopt, biedt de meneer aan om de buggy met Casper de trein in te tillen. “Heel graag,” zeg ik, want nu kan ik mooi Micky met instappen helpen. Je moet er toch niet aan denken dat je driejarige in het gat tussen perron en trein valt. De coupéhal is versperd door vier goedgeluimde vijftigers en hun sportieve fietsen waar grote tassen aan hangen. Wij gaan zitten naast een mevrouw in windjack met een boodschappenwagentje en kijken toe hoe de vijftigers in gevecht zijn met hun fiets. Al alles staat, is door Caspers buggy de weg naar de wc een beetje versperd, maar dat is natuurlijk wel top voor eventuele aanspraak. “Wij gaan naar de dierentuin,” vertelt Micky aan de dame met de boodschappenwagen terwijl ze op mijn schoot klimt. “En er zijn ook leeuwen.” Ik zeg: “Daar is ze nu al een beetje bang voor.’ De mevrouw knikt begrijpend. “Dat heb je zo op die leeftijd.” We suizen door het landschap, en de dame en ik hebben een uitgebreid gesprek over angst bij kinderen, dat kinderen niet per se naar het buitenland op vakantie hoeven en zij zojuist een midweek heeft doorgebracht in een soort jeugdboerderij voor gezinnen. Denk er een kop koffie en een koekje bij en het is of ik bij haar op visite ben. Even lijkt het of Casper de pret wil verstoren met een forse jankpartij, maar het blijkt te gaan om een huiltje voor hij in slaap valt. Zijn in de weg staande kinderwagen levert niet de gezellige contacten op waar ik op hoop, maar wel een paar vertederende blikken op zijn slapende koppie. Als we uitstappen, biedt de dame, een meisje en een oudere heer aan om Casper met buggy uit de trein te tillen. Uiteindelijk helpt een knap uitziende jongen me. Opgewekt loop ik met Micky en in de buggy de nog steeds slapende Casper naar de lift op het perron. Ik heb het gevoel alsof de wereld vol sympathieke goedbedoelende mensen is. Conclusie: Weinig treinreizigers zitten te wachten op een gezellig praatje. Zelfs toen ik me op krukken begaf, was dat nog geen aanleiding voor een goed gesprek. Het verbaasde me dat niemand aanstalten maakte om me te helpen, maar nu ik erover nadenk: ik help zelf ook niet iemand die op krukken loopt. En zeker niet als diegene een rugzak draagt, want dan kun je weinig voor je gekrukte medemens betekenen. Kinderen blijken een fantastische manier te zijn om met anderen in contact te komen. Maar dan moet je natuurlijk wel van die goedaangepaste en sociale kinderen hebben als ik. Een jankende baby of peuter is voor veel mensen waarschijnlijk een uitstekende reden om in een coupeetje verderop plaats te nemen. PS: Net de test gedaan op www.nederlandwordtweerleuk.nl Daaruit blijkt dat ik al heel leuk ben: ik oordeel of veroordeel niet en ben niet te beroerd en om voor iemand in de bres te springen. Misschien dat ik volgende keer toch die persoon op krukken een helpende hand biedt. Ook al kan ik niet veel doen, het is fijn om te merken dat een ander zich om je bekommert. Daar wordt Nederland weer een beetje leuker van. |
|