|
|
![]() |
| 2007 FLAIR | |
|
Als je man onvruchtbaar is Wat doet dat me je relatie als je man hoort dat hij praktisch onvruchtbaar is? En hoe ga je dan om met jullie kinderwens? Marc (39) en Mireille (34) van Seggelen ontmoetten elkaar toen zij zestien was en hij 21. Ze trouwden toen ze allebei in de twintig waren. Mireille: “Toen ik 25 was, hadden we iets van: laten we het maar eens gaan proberen. Ik wilde graag voor mijn dertigste kinderen, en bij een vriendin had ik gezien dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat het lukt.” Marc: “Na een jaar was Mireille zwanger, maar na tien weken kreeg ze een miskraam. Iedereen zei: ‘Joh wat maakt het uit. Ze wordt wel weer zwanger.’ Maar die volgende keer kwam maar niet. Toen gingen we ons wel afvragen wat er aan de hand was. Omdat we al ruim twee jaar bezig waren, stuurde de huisarts ons door naar de gynaecoloog. Daar werden we allebei binnenstebuiten gekeerd.” Mireille: “Ze begonnen al heel snel bij jou. Ik had temperatuurlijsten bijgehouden en daaruit bleek dat ik wel een eisprong had.” Marc: “Ik moest bloed laten prikken en mijn sperma werd onderzocht om te bekijken hoeveel levende zaadcellen ik had. De tweede keer dat we bij de gynaecoloog waren, kregen we de uitslag. In mijn sperma was het aantal levende zaadcellen zo laag dat een natuurlijke bevruchting vrijwel onmogelijk was. De arts zei dat IVF voor ons geen optie was en we alleen in aanmerking kwamen voor ICSI. Een goede zaadcel van mij zouden ze direct plaatsen in een eicel van Mireille. Het was zoveel informatie tegelijkertijd. Beduusd liepen we de wachtkamer uit.” Mireille: “Ik had er geen moeite mee dat het probleem bij hem lag. Als bij mij de oorzaak zou liggen, had ik van alles in mijn hoofd gehaald, bijvoorbeeld dat hij een andere vrouw zou willen met wie hij wel een kind kon krijgen. Daardoor was ik vooral bang dat Marc het er erg moeilijk mee zou hebben. Ik dacht: mannen voelen zich aangetast in hun mannelijkheid als ze zoiets horen.” Marc: “Dat heb ik geen moment gedacht. Als daar je mannelijkheid vanaf moet hangen.” Mireille: “Tot mijn verbazing was Marc erg nuchter. Hij had iets van: die dingen gebeuren.” Marc: “Vanaf het begin dacht ik: het kan wel eens aan mij liggen. Ik heb een keer zo’n ernstig ongeluk gehad met elektriciteit dat ik blij ben dat ik het kan navertellen. De artsen weten niet of dat de oorzaak is, maar ik vermoed van wel. Natuurlijk was ik ook verdrietig. Ik dacht: waarom? Waarom gebeurt mij dit? Maar ik dacht ook: ik heb een probleem, wij hebben een wens, dus hoe gaan we dit oplossen? Ik ben nogal rationeel en zakelijk.” Mireille: “We konden we er samen goed over praten. De basis was steeds: we kunnen samen ook heel gelukkig zijn. Ja, we willen graag een kindje en daar behandelingen voor ondergaan, maar we moeten elkaar niet kwijtraken. Ik heb het idee dat we door alles wat er is gebeurd, naar elkaar zijn toegegroeid. Ik denk dat zoiets je uit elkaar drijft, of je juist dichter bij elkaar brengt.” Marc: “Al vrij snel besloten we ICSI te proberen. We wilden graag kinderen en dat leek de enige mogelijkheid. We hadden iets van: kom maar op! Van het ene op het andere moment zit je midden in zo’n ziekenhuisproces. Je wordt er echt ingezogen.” Mireille: “De behandeling was voor mij erg zwaar. Het aanprikken van de eicellen was verschrikkelijk pijnlijk. Sommige vrouwen lopen daarna lachend de behandelkamer uit, maar ik kon drie dagen niet meer lopen. ” Marc: Voor mij was het psychisch zwaar. Mireille’s eicellen werden in het een ziekenhuis aangeprikt, maar in een ander ziekenhuis werden ei- en zaadcel bij elkaar gebracht. Met een koffer met daarin de eicellen stapte ik de auto in om zo snel mogelijk door de ochtendspits te laveren in de hoop dat ik niet te laat bij het andere ziekenhuis aankwam. Want leg maar eens uit aan je vrouw dat de behandeling niet kan doorgaan omdat je in de file stond. Zodra ik in het ziekenhuis was, werd ik naar een kamertje gedirigeerd om sperma te produceren. Daar was ik dan niet bepaald voor in de stemming. Daarna moest ik wachten tot ze kwamen vertellen of ze genoeg zaadcellen hadden gevonden. Als dat niet zo was, moest ik het nog een keer proberen. Het was allemaal zo klinisch, zo vreemd. Maar het lukte me wel. Ik ben zo ’n rationele knakker die denkt: wat moet dat moet. Leuk is alleen anders. Ik heb er een heel naar gevoel aan overgehouden. Ik voelde me zo machteloos, zo overgeleverd aan de wetenschap. Daar werd ik erg onzeker van. En ik voelde me zo machteloos tegenover Mireille. Die kon na de behandeling de trap niet eens op omdat ze zo’n pijn haar buik had.” Mireille: “Nadat ei- en zaadcel bij elkaar waren gebracht, moesten we een paar dagen wachten of er een celdeling had plaats gevonden. Als dat zo was, kon ik naar het ziekenhuis om de bevruchte eicel in mijn baarmoeder te laten inbrengen. En dan begonnen de wachtweken: was ik zwanger of niet? Dat was een moeilijke tijd.” Marc: “Bij de tweede ICSI-poging besefte ik: dit wordt niets. Ik moest terugkomen omdat ze te weinig levende zaadcellen hadden aangetroffen. Dat was een klap in mijn gezicht. Toen ben ik serieus over KID (kunstmatige inseminatie met donorzaad, red. ) gaan nadenken. Na de derde poging heb ik tegen Mireille gezegd dat dat voor mij een serieuze optie was.” Mireille: “Ik was stomverbaasd. Ik had daar nog nooit over nagedacht en hij bracht het zo van: dit gaan we doen.” Marc: ”Ik wilde graag het hele traject van een zwangerschap meemaken. Het leek me mooi om Mireille zwanger te zien, en om samen toe te groeien naar de geboorte van de baby. Dat het kind mijn genen niet heeft, maakte me niet uit. Ik dacht: die genen tellen niet meer als ik het kind opvoed, en als het mijn normen en waarden meekrijgt.” Mireille: “Ik begreep er niets van. Een kind krijgen met het zaad van een andere man voelde in eerste instantie voor mij als bedrog. Ik vermoedde dat hij KID alleen voor mij wilde. Hij vond het verschrikkelijk dat ik zoveel lichamelijke klachten kreeg van die ICSI-behandelingen en daarom dacht ik dat hij dit als een mogelijkheid zag waardoor ik die niet meer hoefde te ondergaan. Of was hij misschien toch bang dat ik hem iets kwalijk nam? En ik dacht ook: je kunt dit nu wel willen, maar als dat kindje er eenmaal is, dan stort je in. Dat kun je je nu niet voorstellen, maar dat gaat wel gebeuren. Ik was bang dat hij erop aangekeken zou worden.” Marc: “In feite gebeurt het niet. Ik heb dat gevoel nu ook helemaal niet. We hebben er veel met vrienden en familie over gepraat. Of liever jij; ik zat erbij en legde als het nodig was weer mijn motieven uit.” Mireille: “We hebben er samen ook ontzettend veel over gepraat. Wat goed heeft geholpen, is dat we een gesprek erover hadden met een psycholoog. Het ziekenhuis waar wij werden behandeld, wilde dat we eerst een psycholoog spraken voordat we het KID-traject ingingen. Die psycholoog heeft me ervan kunnen overtuigen dat Marc het voor zichzelf deed en niet voor mij. Toen zijn we ermee verdergegaan. Ik wilde een donor die niet op Marc leek. Ik dacht: hoe duidelijker zichtbaar is dat het kindje biologisch gezien niet van Marc kan zijn, hoe minder domme en kwetsende opmerkingen we krijgen. Het leek me zo pijnlijk als hij te horen kreeg: ‘Het kind lijkt op jou, Marc.’ En dat hij dan moest uitleggen hoe het werkelijk zit. Maar ze zoeken juist een donor die een beetje op je man lijkt. Daardoor kun je zelf beslissen of je het wilt vertellen aan je kind. Marc: “Wij zijn er heel open in. We willen niet dat we ons kind als ze een jaar of twaalf is het een en ander moeten uitleggen, of dat ze er toevallig achterkomt.” Mireille: “We hebben gekozen voor een anonieme donor. Dat kon toen nog. Nu wordt in Nederland geen gebruik meer gemaakt van anonieme donors. Ze moeten geregistreerd zijn zodat een donorkind altijd zijn gegevens kan achterhalen. Het gevolg is wel dat er nog maar weinig donoren zijn en je ruim anderhalf jaar moet wachten voordat je behandeld kunt worden.” Marc: “We gunden het ons kind zeker dat ze op zoek kon gaan naar haar biologische vader, maar de tijd drong ook erg. Mede daarom hebben we de keuze gemaakt voor een anonieme donor. Nu konden we meteen beginnen met de behandeling. We hoopten dat we dat ons kind later goed zouden kunnen uitleggen en dat we het konden meegeven dat je het niet altijd eens hoeft te zijn met een andermans keuze, maar dat je die keuze dan nog wel kan respecteren.” Mireille: “Het donormateriaal gingen we samen in een ziekenhuis ophalen.” Marc: “We werden naar een gangetje gedirigeerd waar een paar stoelen stonden. Het was er zo smal dat als iemand langskwam, je je voeten opzij moest zetten. Daar hebben we toen zo verschrikkelijk de slappe lach gekregen. We fantaseerden erover wie de donor was, wat hij deed, hoe hij eruitzag. De wildste fantasieën hadden we. We moesten zo lachen dat er zelfs mensen kwamen kijken wat er aan de hand was.” Mireille: “Met een fles vloeibare stikstof met daarin het materiaal zijn we naar ons eigen ziekenhuis gereden. Tijdens alle behandelingen was Marc erbij. Hij had iets van: ook al kan ik niets doen, ik wil er wel bij betrokken zijn. De vijfde cyclus was het raak. Ik had een fantastische zwangerschap, maar de bevalling was erg zwaar. Er waren een paar momenten waarop het spannend was of het allemaal goed zou aflopen. Toen Marc Lotte voor het eerst vasthield, dacht ik: nu komt de klap, nu beseft hij dat dit biologisch niet zijn kind is.” Marc: “Die klap kwam helemaal niet. Het voelde meteen goed. Ik dacht onmiddellijk: die is van mij. Klaar.” Mireille: “Je hebt het in de eerste maanden wel af en toe moeilijk gehad.” Marc: “Ja. Als ik Lotte een nachtvoeding gaf, en dat prachtige meisje op mijn arm had, dan dacht ik wel: waarom is ze niet helemaal van mij? Daar kon ik dan even heel verdrietig om zijn. Na een half jaar of zo verdween dat gevoel, en nu speelt het helemaal niet meer. Lotte is nu twee. Ze voelt dat ik haar papa ben, en ik voel dat ook zo.” Onvruchtbaarheid bij de man Eén op de zes paren loopt tegen vruchtbaarheidsproblemen aan. In dertig procent van de gevallen ligt het probleem bij de vrouw, in dertig procent van de gevallen bij de man, voor de overige veertig procent gaat het om onverklaarbare onvruchtbaarheid. Mannen zijn maar zelden helemaal onvruchtbaar. Meestal is er sprake van verminderde vruchtbaarheid (subfertiliteit). Dit betekent dat de kwaliteit (de vorm en de bewegelijkheid) van de zaadcellen niet optimaal is, of de kwantiteit (het aantal goede zaadcellen) niet voldoende is. Meer informatie vind je op: www.freya.nl Boekje Mireille heeft een kinderboekje geschreven over hoe een KID-baby ontstaat. Ze werkt nu ook aan een boekje voor kinderen die verwekt zijn via IVF/ICSI en eiceldonatie. Het zijn prachtige boekjes waarmee je in begrijpelijke taal je kind zijn bijzondere ontstaansgeschiedenis kunt uitleggen. De boekjes kun je bestellen via: http://wereldwondertje.mvscreations.nl |
|